Volg ons op
Facebook
Twitter

Grootheids aanzien

DOOR IVO DE WIJS

Jasperina de Jong had een glansrijke cabaretcarrière in de tweede helft van de 20ste eeuw. Tekstdichter Ivo de Wijs herinnert zich hoe hij in haar leven kwam.

Het is niet anders: Jasperina de Jong (1936) treedt niet meer op. Ze heeft een mooie leeftijd bereikt, woont ver van de Randstad, werkt in haar tuin en wandelt met haar hond langs de IJssel. Om de breuk met haar theaterverleden te demonstreren, wordt ze liever geen Jasperina meer genoemd. ‘Zeg maar Pien!’ Meer dan een halve eeuw geleden was ik een romantische, Tilburgse hbs-scholier met een onmatige belangstelling voor kleinkunst. Samen met mijn broer deed ik cabaret op alle feestavonden van de school, maar ik probeerde natuurlijk uit te vinden wat er in de rest van het land gebeurde. Cabaret Lurelei in Amsterdam was nieuw en spraakmakend. Jasperina de Jong was de leading lady van het prille gezelschap. Dat zij grappig was, openbaarde zich aan mij aanvankelijk alleen in interviews met haar (‘Ik heb allerlei baantjes gehad, vooral veel baby gezeten’) en via de radio, waar Jasperina meewerkte aan een vermakelijk, maar vergeten programma dat Wissewassen  heette. Toen Lurelei naar Tilburg kwam, wist ik een kaartje te bemachtigen. Helaas, Jasperina was er die avond niet bij. Zij was tijdelijk doorgestoomd naar de musical My Fair Lady. Ook zonder Jasperina maakte Lurelei overigens diepe indruk op me. Ja, zo moest het: verrassend, mimisch, muzikaal, sober van aankleding en ijzersterk van tekst.

Jasperina kreeg ik pas in het echt te zien, toen ik in Amsterdam ging studeren. Ik had weinig geld, maar voor 2 gulden mochten studenten in een voormalige nachtclub aan de Leidsekade naar Lurelei komen kijken. De optredende artiesten fungeerden ook als obers: beroemde namen als Leen Jongewaard, Kees van Kooten, Gerard Cox en Eric Herfst (de man van Jasperina) doemden af en toe op bij je stoel om te vragen of je nog een drankje wilde, terwijl Jasperina zelf, samen met Sylvia de Leur de bar bestierde. De programma’s van Lurelei waren zeer leuk en ook ik zag het vóór me: het talent van Jasperina was eigenlijk veel te groot voor dat kleine zaaltje met zijn nietige podium.

Jasperina knalde eruit. Ze stapte over van grote naar zeer grote zalen. Met De Jasperina Show trad ze op in het oude De la Mar-theater, dat – vreemd genoeg – Nieuwe De la Mar-theater heette, en met Jasperina’s Grote Egotrip veroverde ze Carré. Eric Herfst deed de regie en Guus Vleugel schreef de teksten: prachtige nummers als Dobbe, dobbe, dobbe, De Non (Roll anther one), Meisje uit de provincie in het magies sentrum, Abah abortus - enzovoorts - beluister ze maar op Spotify. Geweldig materiaal, met verve uitgevoerd. 

Oké, maar nu onze ontmoeting. Mijn studie Nederlands was niet meer dan een alibi: ik wilde geen leraar worden, ik wilde cabaret doen. Dat cabaret kwam er ook en kreeg mijn naam: Kabaret Ivo de Wijs. Wij (Aggie Terlingen, Pieter Nieuwint, Richard Fritschy en ik) begonnen op feestavonden en partijen, kwamen van lieverlede in de theaters terecht en speelden talloze voorstellingen in theater Tingel Tangel, een gezellig zaaltje aan de Nieuwezijds Voorburgwal in Amsterdam. Dat theater bestaat nog steeds, maar heet nu Betty Asfalt Complex. Op een avond kwamen Jasperina de Jong en Eric Herfst naar ons programma kijken. Ze gingen na afloop niet meteen weg. We schudden elkaars handen en wisselden vriendelijke woorden. Een paar dagen later belde Jasperina me op met de vraag: ‘Zou je eens wat teksten voor mij willen maken?’ In mijn zenuwen riep ik: ‘Ik kan helemaal niet voor vrouwen schrijven’, een tekst die Jasperina me later nog vaak heeft nagedragen. Niettemin had ze mij redelijk doorgrond: ik was als tekstdichter talentvoller dan als uitvoerend kunstenaar.

Jasperina en Eric waren op zoek naar een nieuwe tekstdichter. Guus Vleugel was depressief en had steeds meer moeite om iets op papier te krijgen. Een musical over het 700-jarige bestaan van Amsterdam wilde zijn pen niet meer uit. Lennaert Nijgh (de tekstdichter van hits als Het land van Maas en Waal en Malle Babbe) schoot te hulp en schreef in korte tijd het succesvolle De Engel van Amsterdam, maar liet het daarna, althans als auteur voor Jasperina, afweten.

Ik greep mijn kans. Mijn eigen groep was uit elkaar aan het vallen, maar ik had erg weinig trek om als docent het middelbaar onderwijs te gaan dienen. Ik wilde schrijven. De eerste teksten die ik voor Jasperina maakte, waren aan de traditionele kant, maar haalden tot mijn genoegen wel meteen de grammofoonplaat.

Lees verder in de VARAgids op pagina 22.