Volg ons op
Facebook
Twitter

In gesprek met Fidan Ekiz

Over haar jeugd, haar ouders, carrière, geloof en onzekerheid

Door: Ronald Giphart
Beeld: Frank Ruiter

Mijn oma Trijntje werkte in de Rotterdamse haven als kantinejuffrouw bij scheepsbouwer Verolme. Jouw vader was C02-lasser bij Verolme. Wat een mooi idee dat mijn oma voor jouw vader broodjes kaas heeft gesmeerd...
Ah, dat ontroert me meteen. Ik ben nog altijd op zoek naar foto’s van hem uit die tijd, zoals ik ook nog steeds over hem schrijf. Hij is vorig jaar overleden aan leukemie, in een variant die vaker voorkomt bij mensen die met giftige gassen hebben gewerkt. Ik dacht altijd dat lassers goed beschermd waren, maar iemand zei laatst: misschien moet je er maar eens een zaak van maken.

Jouw vader en zijn Turkse collega’s moesten bij in de haven regelmatig zwaarder en viezer werk moesten doen dan de Nederlandse werknemers.
Buitenlanders wilden voor henzelf en hun families in het buitenland veel geld verdienen. Mijn vader maakte veel extra uren, vaak in de weekenden, vaak vuil werk. Hij had niet de luxe om opdrachten te weigeren, want dan zeiden ze: daar is het hok van personeelszaken. We hadden thuis altijd geldzorgen, mijn zus en ik zochten al toen we jong waren baantjes. ’s Nachts stond ik vroeg op om het AD rond te gaan brengen.

Heeft dat je jeugd getekend?
Ik koester warme herinneringen aan mijn jeugd. Ik was een verlegen, timide meisje dat met mijn ouders Turks sprak en met mijn zus Nederlands. Mijn eerste dag op de kleuterschool was verschrikkelijk, want ik begreep mijn juf niet. Mijn moeder was analfabeet en had moeite met de taal. Mijn moeder is heel slim, hè? Ze praat als Obama en al mijn Turkse vriendinnen zijn fan van haar. Mijn vader sprak iets beter Nederlands, omdat hij dat op zijn werk moest. Maar ik heb de taalachterstand altijd gevoeld, al vertaalde ik thuis op jonge leeftijd alles voor mijn ouders.

Wanneer begon het idee te gloren dat je de journalistiek in wilde?
Al op mijn dertiende speelde ik met mijn zus het Journaal na, dan was ik Fred Emmer. In het draaiboek stond dan ‘Fidan is journalist’. Mijn zus speelde André Hazes, want om een of andere reden trad hij op in het Journaal. Later, op de havo, wilde ik theater doen of journalistiek, omdat ik dat maatschappelijk-betrokkene interessant vond. Mijn zus had brochures van de School voor Journalistiek opgevraagd, die ik las en toen dacht ik: dit wil ik! Interviewen. Horen waarom mensen doen wat ze doen. Ik kon en kan me geen beter vak voorstellen.

In Utrecht werd je aangenomen bij Journalistiek. Ging je op kamers?
Dat mocht niet van mijn ouders. Het huis verlaten was onbespreekbaar. Volgens een Turks gezegde gaat een vrouw in een bruidsjurk of in een kist het huis uit. Niet dat mijn ouders dat zeiden, maar zo werd er wel gedacht. Ik was te timide om me ertegen te verzetten. En we hadden het geld er ook niet voor.

Wat vond je van het studentenleven? Wat vonden studenten van jou?
Ik voelde enorme achterstand. Medestudenten lazen van huis uit de Volkskrant of NRC, ik las af en toe een Turkse krant die mijn vader meenam. We keken veel films thuis, ik kende Sonja Barend en Mies Bouwman, ik dacht dat ik helemaal bij was. Maar ik had geen idee. Iedereen kwam ook uit een politiek nest. Wij stemden thuis PvdA, maar daar werd niet over gepraat. Op alle gebieden liep ik achter, zo gênant. Mijn medestudenten gingen uit en stonden vol in het leven, ik moest smoezen verzinnen waarom ik daar niet aan kon meedoen. Ze waren vaak ook zo bijdehand, wat ik overigens onder collega’s nog steeds weleens zie. Dan denk ik: o ja, dat was het! Die houding.

Zaten er nog latere bekendheden tussen? Wie van je klasgenoten kunnen we kennen als journalist?
Jaha... Tja... Uit mijn klas toen... Eh... Geen idee eigenlijk. Ik kan niemand bedenken.

Nou, dat is toch ook wel een leuk besef?
In mijn tweede jaar had ik een leraar die mij en een paar Marokkaans-Nederlandse studenten eruit pikte en zei dat wij taalkundig een dusdanige achterstand hadden dat het nooit wat zou worden. Hij was ook echt niet aardig en op geen enkele manier onderbouwend. Heel neerbuigend. Hij zei volkomen gemeend: “Weet je wel zeker dat je journalist wil worden?” Ik vond dat verschrikkelijk en zijn woorden deden me veel verdriet. Iedere dag reisde ik uren, ik had altijd geldnood en werkte keihard. Ik vond het zo onterecht. Die man nam Nederlandse studenten mee uit, maar wij werden niet meegevraagd. Dat steekt als je jong bent.

Hoe heette die klerelijer?
Paul... dacht ik. Zijn achternaam heb ik verdrongen. Toen ik een paar jaar later mijn diploma haalde, heb ik een kopie op zijn deur geplakt. Dat voelde echt heel goed.

In jouw essay Hoe lang nog zwijgen beschrijf je de slotscène van Billy Elliot, waarin de vader trots naar zijn balletdansende zoon zit te kijken. Is dat een beeld voor jouw vader?
Vooral nu mijn vader is overleden voel ik dat hij dat voor een deel was. Hij was niet zo streng en uiteindelijk ging hij mee in mijn emancipatie. Ik heb mijn vader echt overgehaald mee te doen aan mijn documentaire Veerboot naar Holland. Bij de viewing zat ik naar hem te kijken, want het ging ook over zijn drankprobleem. Hij zat schuin tegenover mij en dan zag ik een glinstering in zijn ogen. Later zei hij heel ingetogen dat ik het goed had gedaan.

Lees verder in VARAgids 37 vanaf pagina 11.