Volg ons op
Facebook
Twitter

Rauwkost

DOOR KEES VAN UNEN

Schrijver Peter Buwalda werd op jonge leeftijd al gegrepen door Beethoven en legt voorzichtig uit waarom. ‘Beethoven is opzwepend, dwars, meeslepend.’

 

Nee, het was niet alsof de bliksem bij Peter Buwalda (47) insloeg. Niet alsof hij opsteeg of het licht zag. De liefde voor klassieke muziek in het algemeen en Beethoven in het bijzonder kwam langzaam, als de zee die met vloed het strand opkruipt.

‘Ik zat in die tijd weleens bij mijn opa, op bezoek in zijn aanleunwoning. Hij dementeerde. In plaats van met hem te praten, wat moeizamer ging, zette ik zijn klassieke cd’s op. Hij bezat er een handvol, echte evergreens: de vijfde en negende van Beethoven, Mozarts 20ste pianoconcert, het vioolconcert van Mendelssohn. We zaten uren te luisteren, mijn opa oogtranend. ‘Ludwig Heetvanboven,’ mompelde hij eens in de zoveel tijd.

Tijdens de sessies in de Eindhovense bejaardenwoning raakte Buwalda begeesterd.

Nu moet ik er toch maar eens induiken, besloot hij, wat na een maand of drie kalmpjes cd’s kopen uitmondde in een monsteraanschaf: in één prijzige klap 3300 cd’s, op Marktplaats, de gehele collectie van een winkel voor klassieke muziek. De hele klassieke geschiedenis eigenlijk, van de middeleeuwen tot nu. 3300 euro moest het kosten, en hij had nog 5000 euro op zijn rekening staan. Leven deed hij van het voorschot dat hij voor z’n debuutroman Bonita Avenue had gekregen. Toch deed-ie het: 3300 cd’s.

Wat bezielde je? Zin in iets nieuws. Het is heerlijk om nieuwe, grote ontdekkingen te doen. Zo’n complete wereld binnengaan, levert een enorme euforie op, eigenlijk. Je hoort altijd dat het maar een keer zou kunnen, tijdens je jeugd, maar dat is onzin. Op school ontdekte ik popmuziek, maar toen die sinaasappel enigszins uitgewrongen raakte, ben ik jazz gaan verzamelen. Toen studeerde ik al, maar het voelde ongeveer hetzelfde. En eigenlijk was klassiek misschien nog wel overdonderender. Geheimzinniger, uitgestrekter. Al die eeuwen die er voor je klaarliggen. Weet je wat, dacht ik, ik pak het deze keer maar meteen groot aan.

Hoe lang deed je erover ze te beluisteren? Vijf jaar. En om het überhaupt te doorgronden, eigenlijk. Eerst snapte ik er geen bal van, ik kende het gros van de namen niet, de stijlen niet. In een soort paniek heb ik de eerste maanden na het overnemen van die winkel ongeveer duizend cd’s doorverkocht op Marktplaats.

Ik liep elke avond met bubbeltjesplastic naar het postkantoor. Daar heb ik achteraf enorme spijt van, er zaten hoogstwaarschijnlijk steengoede dingen tussen. Maar ik had er nog geen verstand van. En ik moest ook eten.

Waarom is Beethoven de beste? Omdat hij doof was. Rembrandt die de Nachtwacht blind had geschilderd? Cruijffin een rolstoel? Dat laatste is een grapje, maar het speelt wel mee, vind ik. Het is een onwaarschijnlijke prestatie om een half oeuvre te componeren zonder je belangrijkste instrument. ‘Ja, maar hij hoorde het in zijn hoofd’, hoor ik vrijwel altijd als ik erover begin. Types die zelf vaak niet eens ‘Zie de maan schijnt door de bomen’ zuiver kunnen zingen, bedoel ik. Ik hoor niks in mijn hoofd, en zeker geen strijkkwartet of symfonie.

Maar hij was dus de beste omdat hij doof was? Ik was niet klaar, hè. Bovendien: Ludwig van Beethoven. Moet ik serieus uit gaan leggen waarom hij goed is? Enfin, om te beginnen schreef hij in alle genres meesterwerken. Hij was een groot vernieuwer, hij keerde alles waarmee hij zich bemoeide binnenstebuiten. Symfonieën, pianosonates, strijkkwartetten, concerto’s – alles. De eerste set strijkwartetten die hij publiceerde, opus 18, schreef hij in de stijl van Mozart en Haydn, al waren ze wat mij betreft beter. Jaren later componeerde hij er weer drie, opus 59, en die zijn al flink gecompliceerder, gewaagder, dieper. De late kwartetten, geschreven toen hij oud, doof en ziek was, zijn volstrekt onconventioneel, diepzinnig, woest. Wat valt er voor ons nog te componeren, schijnt Schubert gezegd te hebben. In die zin doen The Beatles me aan Beethoven denken. Die strijkkwartetten gingen erin als Love Me Do, en kwamen er als Strawberry Fields Forever uit.’

Veel mensen noemen Bach de grootste. ‘Drie mensen. Ik tel Paul Witteman en Ton Koopman en Maarten ’t Hart. Nee hoor, natuurlijk, er is altijd discussie over Beethoven, Bach en Mozart, net als over Cruijff, Maradona en Péle. Maar bij klassieke muziek is de hiërarchie strikter, lijkt het.

Wonderlijk is dat. Volgens mij betekent het dat componeren heel moeilijk is, dat die top-3 zo onwrikbaar blijft. Het ziet er niet naar uit dat er zich nog iemand tussen zal wringen. Wat bij voetbal eigenlijk al gebeurd is, overigens, met Messi. Mijn voorkeur ligt bij Mozart en Beethoven. Misschien omdat ze iets dichter bij de rock-’n-roll staan, muzikaal. Bach is me te gewijd. Na een uur wil ik de straat op, een bushokje slopen. Nee, dat is overdreven, en het ligt ongetwijfeld aan mij, ik ben waarschijnlijk nog niet rijp voor Bach. Toch vind ik dat Beethoven meer emoties tegelijk bespeelt. Hij kan verstild zijn, maar ook lyrisch en euforisch, en zelfs ruig. Het derde deel van opus 74, een strijkkwartet – dat is pure rock-’n-roll. Opzwepend, dwars, meeslepend.’

We zitten vlak bij het Concertgebouw. Kom je er graag?

‘Medium. Soms vind ik het leuk om een kwartet of een orkest of een grote solist aan het werk te zien. Maar het liefst luister ik thuis. Goed hard, topuitvoering, eentje die je als je broekzak kent. Ons huis staat vrij, dus de buren merken er niks van. Dan komt het wat mij betreft het beste tot zijn recht. Bovendien schrijf ik tijdens het luisteren. Dat is perfect, Beethoven draaien en ondertussen werken.’

Vind je het leuk om als Beethovenkenner te worden opgevoerd?‘Ja en nee. Het is een schjande, zou Anton Geesink zeggen. Ik ben een dilettant. Ooit zat ik naast Ton Koopman in een televisieprogramma. Mochten we allebei precies even lang over klassiek praten. Die man is een instituut, hij speelt zijn hele leven al klassieke muziek, dirigeert zijn eigen orkest, hij is een van de pioniers op het gebied van de authentieke uitvoeringspraktijk.

Ik weet niet waarom ik ja zei. Als ze me vragen om samen met Louis van Gaal over voetbal te komen praten, zeg ik netjes ‘nee’.’

Zou je nog zonder kunnen?

‘Nee. Zeker niet. Nee zeg, ik moet er niet aan denken. Met muziek is het net als met eten, je kunt je smaak oprekken, waarna er geen weg terug meer is. Ik moet er toch ook niet aan denken dat ik vanaf morgen geen Thai of Indonesisch meer mag? Bovendien kan ik geen kant op, na Otmars zonen.

In de komende delen van mijn romantrilogie blijft Beethoven een rol spelen. Ik zal me nog stevig moeten verdiepen in de man. Er liggen biografieën klaar, deelstudies over de pianosonates. En ik moet zijn muziek blijven draaien, anders verlies ik de voeling. Ik heb die verhaallijn bedacht vlak nadat ik bij mijn opa zat weg te dromen. Tijdens de eerste verliefdheid heb ik het plan voor die trilogie uit de grond gestampt: twaalf jaar werk, op zijn minst. Beethoven zit als een loden kogel aan mijn enkel. Maar dat is een matige metafoor, want ik vind het geen straf.’