Volg ons op
Facebook
Twitter

Vlaamse meesters

DOOR HERMAN BRUSSELMANS

Herman Brusselmans liet zich inspireren door drie hyperrealistische foto’s van zijn landgenoot Harry Gruyaert (1941) en schreef er drie surrealistische verhalen bij.

Industriegebied aan rivier

In de jaren 70 had m’n oom Sylvain een fabriek die in het zicht van de rivier De Durme lag, in het Oost- Vlaamse Hamme. Het was een fabriek waar afgekeurd aluminium werd versneden tot snippers. Dat gebeurde met machines die dateerden uit het interbellum. Oom Sylvain had vier versnipperende arbeiders in dienst, en zelf versnipperde hij niks maar dronk hij zich te pletter. Hij woonde met z’n vrouw, tante Sonja, in een krot dat aan de fabriek vastgemaakt zat. Ik ging geregeld op bezoek. En je kon niet bij oom Sylvain en tante Sonja op bezoek komen, of de luchten waren grijs, de regen was op komst, het was kil, de wind woei je uit je kleren, in de verte toeterden de gammele schepen, en de hond van m’n oom en m’n tante was ziek, altijd ziek. Ik kreeg in het woongedeelte een glas water, en er werd mij ook een boterham aangeboden, die ik weigerde, want het brood was oud, en het leek wel alsof het bedekt was met roest. Dan ging ik de fabriek in, om dag te zeggen tegen de arbeiders. Ze hadden een vuile overall aan, en zware werkschoenen, en hun gezichten waren grauw, en ze hadden baarden die verraadden dat ze vaak veel te moe waren om zich wanneer dan ook te scheren. Ik kende hun namen. Twee keer Raymond, Wilson, en Pierre.

De ene Raymond had een been dat korter was dan het andere. De tweede Raymond had minder tanden in z’n mond dan vingers aan z’n hand, en hij was ooit twee vingers kwijtgespeeld in een van de aftandse machines. Wilson schepte ermee op dat hij een nakomeling was van een Engelse graaf, en Pierre zei dan: ‘En ik ben de halfbroer van generaal De Gaulle.’ Ik voelde me goed bij die mannen, en bij oom Sylvain en tante Sonja, en bij de zieke hond, en in het krot en in de fabriek, en aan de oever van de Durme, en toch dacht ik daarbij: ik wil hier zo snel mogelijk voor eeuwig vandaan.

Wassalon Soeki 

In 1975 ging ik studeren in Gent. Ik had voor Neerlandistiek gekozen, want ik wilde veel lezen, en later zelf schrijven, en boekenvol onzin de wereld insturen, want de wereld wordt van onzin opgebouwd, en daar wilde ik graag een bijdrage aan leveren. Ik zat op kamers in de Joseph Plateaustraat, waar ik een huis deelde met twee anderen, een jongen genaamd Ibrahim, die voorspelde dat z’n joodse soortgenoten ooit de hele boel weleens zouden overnemen, maar dat hij zelf te lui was om daaraan mee te werken, en een meisje dat Ilsa heette, en depressief was. Ik probeerde haar op te beuren door tegen haar te zeggen: ‘Laten we samen deze fles jenever leegdrinken’, maar ze was te depressief om te drinken, en dus dronk ik de fles in m’n eentje leeg, en kotste ik vervolgens het hele tapijt onder, en dan schoot Ilsa in de lach, en dacht ik: zie je wel dat ze niet depressief meer is. Ik reinigde het tapijt zo goed als dat mogelijk was, en ook m’n kleren zaten onder het braaksel, en die ging ik wassen in een wassalon op de Nederkouter. De tijd had in deze salon hard toegeslagen. De wasmachines draaiden vierkant, de muren bladderden af, de hele sfeer zat onder nul, en het rook er naar vergane zeep, die ook nieuw allicht nooit lekker geroken had.

Er kwamen weinige mensen hier hun was doen. Degenen die het wel deden, leken van een planeet te komen die ver van de aarde lag. Ze waren dronken, hadden drugs gebruikt, waren door het leven in de tang genomen, brabbelden vooral tegen zichzelf, en wat ze zeiden, dat klonk louter als ‘Help! Help! Help!’ Dan zaten we bijvoorbeeld met drie dompelaars op een gammel bankje, en ik vroeg: ‘Is er nog nieuws?’, en dan leken de anderen diep na te denken, en een van hen viel in slaap, en de ander fluisterde: ‘Nieuws? Dat de wereld gisteren vergaan is. Verder geen nieuws.’ Ik ging naar huis met kleren die schoon waren, maar lang niet schoon genoeg.

Kerstboom

Rond tien december was er bij ons thuis sprake van dat er zo snel mogelijk een kerstboom moest komen. Dat wilde m’n moeder althans, de goede, lieve vrouw.

M’n vader, de lamgeslagen man, zei:

‘Wat schieten we met een kerstboom op? Geen kerstboom die iets beter kan maken dan het helaas zal blijven.’ Maar m’n moeder won ieder jaar het pleit, en dan werd er een kerstboom gekocht bij bomenhandel Van Wauwe, en de ouwe Van Wauwe zei tegen ons: ‘Omdat het voor jullie is, krijgt je ’m aan de helft van de prijs.’ Ik hoorde hem ’ns zeggen tegen een andere familie: ‘Omdat het voor jullie is, krijgt je ’m voor een derde van de prijs.’ M’n broer en ik legden de boom op een stootkar, en daar gingen we dan, en m’n broer zei: 

‘Waar dient een kerstboom ook weer voor?’ en ik zei: ‘Om aan te geven dat Jezus voor de miljoenste keer vruchteloos op aarde is gekomen.’ De boom werd in een hoek van de woonkamer geplaatst, en diende vervolgens versierd te worden. De kerstballen, slingers, piek, lampjes, noem maar op, kwamen uit de tijd toen lampjes in de kerstboom niet mochten branden, omdat het oorlog was en de Duitsers de bevolking tot avondlijke en nachtelijke verduistering verplicht hadden. Op een keer zei m’n indertijd nog levende, maar steeds cynischer wordende en bij ons inwonende grootvader Frans: ‘Zie je die piek vanboven op de kerstboom? Die heb ik ooit nog in jullie grootmoeder Maria haar dikke reet gestoken.’

M’n moeder wees hem dan terecht, en m’n vader mompelde: ‘Wanneer gaat die ouwe gek eindelijk de pijp uit?’ De kerstboom stond daar, en bleef daar staan tot ongeveer de tiende januari. We ontmantelden hem, borgen de versieringen weer op in de kelder, en sleepten de boom het erf op, waar we hem in de fik staken. M’n vader staarde in dat vuur, en zei: ‘We zullen met z’n allen branden in de hel.’

M’n moeder glimlachte.